21-11-2017 20:10 - Mieke van der Ploeg

Amerikanen in Den Dolder.

Ja, daar heb ik wel wat herinneringen aan. Leuk om die te delen via deze site. Nog leuker als anderen het aanvullen met wat zíj zich herinneren!

Ik ben geboren in 1952. Tot 1957 woonden wij aan de Hertenlaan 33A, schuin tegenover de Hindelaan. Aan het eind van de Hindelaan (er was nog geen doorsteek richting de spoorbaan) lag rechts de toegang tot de vliegbasis.
(Links lag een niet meer gebruikt stuk startbaan waarlangs woonwagens stonden. Daar heb ik leren rolschaatsen. Het is nu de met villa's bebouwde Schaapskooi.)

Ik zat nog op de kleuterschool toen mijn broertje Pieter en ik op een dag ademloos over het hek aan de straat hingen omdat er zowaar een file stond van auto’s die allemaal naar de basis gingen. Zo veel auto's hadden we nog nooit gezien! Uit één ervan stapten twee broers van onze al overleden vader. Zij namen ons mee de basis op waar een vliegshow plaatsvond. Wat een belevenis…. Destijds realiseerde ik het me niet, maar de basis werd toen gebruikt door de Amerikaanse luchtmacht.

In 1959 verhuisden we naar de Paduaweg 57, waar de nieuwe rijtjeshuizen vanaf Dassenlaan tot Tolhuislaan net werden opgeleverd. (Terzijde: onze moeder wist zich jarenlang geen raad in dat hoekhuis; ze had haar hele leven altijd in vrijstaande huizen gewoond!).
In 1963 kwam op nr. 71 of 73 het Amerikaanse gezin Odom wonen. Vader was officier op de basis en ze hadden vier zonen. Pieter en ik speelden op straat al gauw met de jongste die Darryl heette. We mochten spelen met de lage kinderwagen waar we als baby’s in hadden gelegen. Daar zetten we Darryl in en gingen dan racen. Toen de ophangleertjes van de bak braken knutselde Pieter een bodem op het onderstel en konden we verder racen. De twee wat oudere broers van Darryl werden ook speelkameraadjes.
De Paduaweg was toen nog heel rustig. We konden er naar hartenlust rolschaatsen en badminton spelen. Hooguit eens per 5 minuten kwam er een auto aan en moesten we even aan de kant. We speelden ook graag op de stuifheuveltjes die in de hoek Paltzerweg/Tolhuislaan lagen. Vooral een grove denneboom bovenop zo’n heuveltje met bloot gewaaide wortels was favoriet. Daar kon je een hut onder bouwen of op een horizontale wortel languit liggen. Hele middagen rolden we van de hellingen af, speelden verstoppertje of hingen gewoon wat rond. Ik zat er ook vaak op zo’n wortel lekker te lezen.

We pikten van de jongens wat woordjes Engels op en kwamen al gauw bij dat gezin over de vloer. Daar liet hun moeder mij een keer zien hoeveel kleren elk van hen had. Zij vond het zó raar dat wij Nederlanders veel minder spullen hadden! Het viel haar nl. op dat wij best vaak dezelfde kleren droegen. Ik herinner me haar verbazing nog altijd. Ik vond juist dat zij overdreven véél hadden….

In juni 1964 kwamen de Beatles naar Nederland. Op 8 juni kwamen ze op tv! Wij hadden nog geen tv maar we mochten bij de familie Odom komen kijken. O zaligheid….
Ik was al heftig fan van de Beatles.
Maar bij de familie Odom tv mogen kijken was extra fijn omdat de oudste zoon, Jerry, daar óók was. Die was al 14 of 15 en ik vond hem héél interessant…..maar hij zag mij als 12-jarige natuurlijk helemaal niet stáán. Ach, wat wilde ik graag met hem in contact komen. Dan moest ik wel beter Engels kunnen spreken.
Op mijn 12e verjaardag had ik een klein fototoestelletje gekregen met een rolletje voor 12 foto’s. Op één daarvan staat Jerry. Ik had hem blijkbaar weten te verleiden om te poseren. Ik moet het zwart-wit fotootje met zo’n kartelrandje ergens nog hebben, maar wáár?

September 1964 kon ik eindelijk naar het Lyceum in Zeist. Nóú zou het gebeuren, ik kreeg Engels! Was de leraar Engels de eerste 6 weken ziek….dat schoot dus niet op.
Toen meneer Ziechelaar na de herfstvakantie eindelijk begon met zijn lessen deed ik natuurlijk mijn stinkende best want ik had háást. Maar het was te laat. Voorjaar 1965 werd vader Odom nl. overgeplaatst naar Wiesbaden en het gezin verhuisde. Nooit meer gezien.
Ik weet niet meer of er na de familie Odom ándere Amerikanen in dat huis zijn komen wonen.

Mijn eerste pogingen tot Engelse conversatie heb ik daarna een paar keer uitgeprobeerd op wachtposten van de basis, daar fietste ik speciaal voor naar de Hindelaan. Ik herinner me vooral een machtig mooie zwarte man met witte helm, witte leren band schuin over de borst en witte slobkousen. Hij vond het gestuntel van zo’n dorpsmeisje wel aardig, geloof ik….


© 2018 Historische Vereniging Den Dolder